Als we andere mensen helpen, doen we dat zonder onderscheid te maken. We helpen iemand ongeacht zijn achtergrond of religie. En als we mensen aannemen, maken we geen onderscheid op grond van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, geaardheid of burgerlijke staat. Op het punt van godsdienst en levensovertuiging beroepen we ons op de uitzonderingsregel. In de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) is bepaald dat er op grond van godsdienst en levensovertuiging alleen onderscheid mag worden gemaakt, als dit onderscheid wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is voor het werk van de organisatie. Als het nodig is, toetst het College van de Rechten van de Mens of een organisatie terecht een beroep doet op de uitzonderingsregel. Het Leger des Heils is een paar keer op dit punt gedaagd geweest voor de Commissie Gelijke Behandeling – de voorloper van het College van de Rechten van de Mens – en is daarbij telkens in het gelijk gesteld.